Vandaag weer een aflevering in de serie over Dan Siedells Boek. Dit keer van Bruce Ellis Benson
Recently, a colleague from the English department at Wheaton made the point in conversation that a novel has a way of getting at the reality of ethical life in a way that philosophy generally cannot. In watching a character forced to make difficult ethical decisions—with all their varied gradations of “good” and “bad,” not to mention conflicting demands—one gets a much more profound sense of the complexity of trying to live virtuously than a philosophical theory can provide. One can, to be sure, cite a text like Jacques Derrida’s The Gift of Death as providing a particularly nuanced moral account. But, as if to prove my colleague’s point, Derrida needs the story of Abraham and Isaac precisely in order to tease out those complications.
In effect, Dan Siedell employs Enrique Martínez Celaya’s painting Thing and Deception to complexify such assumed binaries of belief and unbelief (as well as such opposites as banal and profound, truth and superstition—though here I will focus on belief and its supposed antonyms of unbelief or doubt).
Vandaag weer een weergave van het churchandpomo blog over Dan Siedell’s boek:
The fact that I have no authority to make grand pronouncements will not keep me from doing so: God in the Gallery is the starting point for the future of the Christianity and art conversation, at least (or especially) in the North American evangelical, not to mention post-evangelical, milieu. I am consequently grateful to participate in this forum which, following James’ opening remarks on the importance of informed engagement, now proceeds to the topic of “modern” art, which I understand to be distinguishable from postmodern or contemporary art (beginning c. 1960), a topic which Siedell addresses in later chapters.
An analogy to describe Siedell’s aim in this chapter can be found in the task of historians, such as Edward Grant, who seeks to show the undeniable, but normatively ignored, Christian backdrop of modern science. But while there are many scholars at work correcting the doggedly secularized narrative of science, there are far fewer, if any, doing the same for the history of art, let alone the history of modern art. Siedell seeks to fill this lacuna, describing his agenda as follows: “A history of modern art can be written that reveals that Christianity in all its myriad cultural and material manifestations is never absent from the modern artist.”
Mijn relatie met Carl Raschke is een beetje vreemd, we verschillen een volle generatie, leven aan verschillende kanten van de oceaan en hij heeft echt verstand van filosofie en ikke niet. En toch is het altijd goed als we elkaar ontmoeten. We hebben plezier, steken door naar het persoonlijke en leren van elkaar (ik meer van hem dan hij van mij) over filosofie, gerechtigheid en kunst.
Hier weer zo’n leermoment(voor mij):
Deconstruction and the Force of Language
Ever since I finished with my graduate seminar on Derrida this past spring I’ve been looking quite differently at what was always at stake in “post-structuralism” – what years ago we called postmodernism in philosophy before the latter word took hold. The term “postmodernism” gained currency after Lyotard publishedThe Postmodern Condition: A Report on Knowledge in the mid-1980s.. In this particular seminar I had some of the best and the brightest, and a few of them in their innocent enthusiasm for exploring the giddy vastness of “Derrida-world” called my attention to some important misuses of the evolving Derridean canon that became necessary in their own right to deconstruct.
What my students showed me toward the end of the term is that we have misappropriated the fashion of “deconstructively” reading texts as some new kind of critical theory, which we regularly, and sometimes ruthlessly, apply to structures of meaning and authority as well as forms of organization. That would of course include the church, and the ongoing effort to “deconstruct” Christianity, or “churchianity”, is one of the things I have in mind.
Iedere Rotterdammer kent de straatkrant verkoper bij de Bijenkorf aan de Coolsingel: Een Surinaamse man die altijd zingend rond loopt. Bram Kuiper, student audio-visueel van de Willem de Kooning academie in Rotterdam maakte samen met een aantal mede studenten een portret van Johan.
Ik vind het een heerlijke film die schrijnend is, vragen stelt, verbaast en zeer doet, een kort verhaal van deconstructie op allerlei niveau’s.
Het schilderij waarvan in de header een detail staat is van Annibale Carraci, Domine quo vadis? uit 1602. Volgens de traditie vluchtte Petrus de stad Rome uit tijdens de vervolgingen onder Nero. Onderweg ontmoette hij Jezus die met een kruis op z’n rug de andere kant op ging. En Petrus vroeg: “Heer, wat gaat u doen?” Waarop Jezus antwoordde “De stad in om in jou plaats voor de tweede keer gekruisigd te worden” Deze woorden deden Petrus besluiten om terug te keren en in Rome te blijven om uiteindelijk ook gekruisigd te worden. Afgelopen woensdag gebruikte ik het schilderij van Carraci als een illustratie van de navolging van Christus. Een navolging die ons de christelijke subcultuur(Jeruzalem) uitdrijft de wereld(Rome) in: Onze roeping ligt in Rome en niet in Jeruzalem. De kruisiging bij Jeruzalem heeft al plaats gevonden.
Aan ons is de navolging in Rome, met het risico van kruisiging. Het vreemde is dat ik niet leef met de angst van kruisiging in Rome, ik leef met de angst van kruisiging door Jeruzalem. Ik leef met de angst voor christenen. Waar ben ik dan bang voor? Angst dat fondsen die ik voor ons project nodig denk te hebben niet komen, angst voor foute theologie, angst om goede vrienden kwijt te raken. Ik leef met de angst dat de diversiteit binnen Emerging/Missionair NL te groot wordt om de relaties instand te houden. Stuart sprak afgelopen woensdag over “affirm instead of critisize“, als ik leef uit angst voor kruisiging in Jeruzalem dan zie ik de christenen als vijand, de christelijke subcultuur als vijandelijk terrein en kan ik dus alleen maar kritiek leveren.
Nu doet die angst (de slechtste raadgever) iets heel bizars met mij: Ik verlang ernaar om in Rome te leven maar de angst voor de kruisiging door Jeruzalem drijft me terug naar Jeruzalem: Ik val terug op mijn bekende en overgeleverde patronen van theologisch gebaseerde scheidslijnen. Het ironische natuurlijk dat mijn verlangen naar het leven in Rome uiteindelijk niet geaccepteerd zal worden binnen de muren van Jeruzalem zodat mijn grootste angst toch weer werkelijkheid zal worden (tenzij ik verval tot een missionaire wannabe/zombie).
Gedreven door die angst en op weg naar Jeruzalem ontmoet ik Jezus en voor de zoveelste keer nodigt Hij me tot omkeren, metanoia, bekering, herörientatie op Hem en Zijn Koninkrijk. Als Paulus stort ik van mij emerging stokpaard en keer op blote voeten terug naar Rome. Onderweg komt ik een paar mede wandelaars tegen; Eline, Peter, Roos, Eef, Boele, Daniël, Sebastiaan, Jos, Jan, Ronald, Stefan, Johan, Charissa, Henk, Lindsey, Ro, Arthur, Kees en talloze anderen, in de verte zie ik ook een bont internationaal gezelschap. Allen zijn we opweg naar de poorten van Rome. In onze rugzakken zitten de stenen van Jeruzalem, onderweg bespreken we welke stenen ons hinderen in de navolging, we ruilen stenen en ontdekken onderweg nieuwe stenen in het veld. Uiteindelijk hebben we allemaal een draagbare rugzak met een praktische lichtgewicht kampeer uitrusting waarmee we onderweg zijn.
Het beeld van een groep reizigers onderweg naar Rome spreekt me aan. Ik zou het jammer vinden als de oude theologische scheidslijnen zoals ze gelden in Jeruzalem (orthodox/liberaal/charismatisch/baptist/gereformeerd/etc etc) in missionair NL weer de boventoon gaan voeren. Ik weet donders goed dat er allerlei theologische verschillen zitten in de emerging/missionaire context van NL en menigeen draagt een rugzak met een uitrusting die fors anders is dan de mijne. Daar zit ik niet mee, mijn focus is Rome en niet Jeruzalem. Ik geloof stiekum dat als we in Rome zijn aangekomen deze stad ons allen zo sterk zal veranderen(en wij haar) dat we uiteindelijk verbaasd zullen staan.
Er lopen niet zo veel Nederlanders bewust op de gemeentestichtende/missionaire/emerging weg naar Rome. Voor ieder van hen wil ik in de bres staan, voor hen opkomen en hen wil ik verdedingen of het nu tegen Rome is of tegen Jeruzalem, ieder van hen wil ik helpen als ze struikelen. Op hen wil ik vertrouwen. Ik ben het af en toe echt niet met ze eens maar ik wil luisteren naar ieder van hen en van hen leren, ik wil door hen gecorrigeerd kunnen worden én samen met hen een pilsje pakken. Met hén en vele anderen wil ik in Rome leven zoekend naar het Koninkrijk.
De komende periode (lees jaren) ga ik me iets meer richten op kunst. Geen idee waar dat precies naar toe leidt….
Als een smaakmaker hier een artikel van Dan Siedell. Zijn recente boek God in the Gallery heeft een redelijk forse impact op mij gehad. Op dit moment ben ik bezig met Rookmaaker, Schaeffer en de boeken van Dyrness en daarna duik ik ergens de kunstgeschiedenis en esthetica in naast twee schrijf projecten waar ik aan ben begonnen.
Dostoyevsky once said that beauty would save the world. Most Christian writing on the visual arts, however, is a betrayal of the depth and profundity of the Christian tradition that Dostoyevsky represents. It reflects the negativity and superficiality of contemporary cultural discourse rather than the living tradition of the church as Christ’s presence in the world.
Saint Paul tells us to embrace “whatever is true, whatever is noble, whatever is right, whatever is pure, whatever is lovely, whatever is admirable [. . . .]” (Phil. 4: 8). We are called to embrace, not merely to reject in the name of Christ. Too often Christian writing on contemporary art is a litany of rejections and, at times, even appears to take pleasure in drawing our attention to those characteristics and qualities that contradict Saint Paul.
Komend weekend gaat de Kooning door het stof een expositie van studenten aan de Willem de Kooning academie. Ook Eva van Woerkom (vriendin van ons) zal hieraan deelnemen. Komend weekend bij Gallerie Intermezzo in Dordrecht.
Is er leven voor de ‘christelijke’ kunstenaar na Schaefer en Rookmaker? Of te wel is er ook een visie op (post)moderne kunst geschreven door een christen in een postmoderne context?
Tot eind vorig jaar was het antwoord in feite: Nee.
Eind vorig jaar werd ‘God in the gallery‘ gepubliceerd geschreven door Dan Siedell ik ben nu met dit boek bezig. Maar na drie hoofdstukken ben ik al van mening dat we met een gerust hart Schaefer en Rookmaker kunnen waarderen als cruciale personen in de moderniteit maar dat hun rol in een postmoderne tijd vooral een historische zal zijn.
Een aantal maanden geleden heb ik eens een post gewaagd aan liturgie, vooral over mijn eigen a-liturgische traditie en mijn angst voor een emerging CTRL-C, CTRL-V liturgie.
Lichtend voorbeeld in dezen is mijn favoriete kluizenaar uit Warfhuizen. Nu hebben ze in Warfhuizen een mooit maria lied (nee, niet meteen in de protestantse reflex schieten!). En nu heeft de koster het lied ” in de zesde Russische kerktoon” gecomponeerd en dan klinkt het ongeveer: klik hier en dan op de ” maffe pater”.
H’m……. volgens mij hebben we nog een lange weg te gaan om dit allemaal op waarde te schatten en vervolgens in te zetten in onze gemeenschappen van het koninkrijk.
Gister in de trein van het ene overleg in Zwijndrecht naar het andere in Den Haag bleek ik in dezelfde trein te zitten als het schilderij “Zicht op Dordrecht. Bijna schoot een brok in mijn keel, 3.5 miljoen euro, waw daar kun je een hoop leuke dingen van doen. Maar nu zit ik als schapekop samen in de trein met het ikoon van mijn stad. Dus terwijl iedereen bleef zitten heb ik mijn laptop dichtgeklapt en op zoek gegaan naar mijn roots. Helemaal voorin omringd door veel TV en weinig belangstellenden heb ik van Rotterdam tot Den Haag HS genoten van een mooi erg mooi werk.
Het schilderij is recent aangekocht voor Dordrecht en was op weg naar Amsterdam voor de tentoonstelling 125 liefdes van Rembrant