Christus als heer van Mijn kerk
Vandaag de tweede post nav avondmaal met cirkelzaag (zie hier en hier) en voor mijn eerste post zie hier
Als gereformeerd vrijgemaakt jongetje heb ik allerlei bezwerings formules geleerd: “Dat is niet volgens de belijdenis” (In geval een bijbeluitleg een ongewenste kant op gaat), “Ellende, verlossing en dankbaarheid” (dat lijken we met elkaar maar nooit te snappen), “Dat hebben we niet zo afgesproken op de synode” (Als iemand met een onwelgevallig idee aan komt zakken over de kerkdienst). Zo is er ook: “De kerk is het eigendom van Christus”. Dit is een soort bezwering die ervoor moet zorgen dat we vooral maar kerk moeten blijven doen zoals we dat gister deden. Een gewoonte beter bekend onder de term “kerkje spelen”. Tijdens het avondmaal met cirkelzaag kwam dit duveltje ook af en toe uit z’n doosje.
Ja, ik geloof ook dat Jezus Heer is (overigens van véél meer dan alleen Zijn kerk) maar vervolgens wordt aangenomen dat Jezus er dan ook voor zal zorgen dat mijn kerkje blijft bestaan! Dat laatste lijkt me een tikkeltje voorbarig.
Volgens mij is de kerk plan B van God, een tijdelijke voorziening tot aan de wederkomst; Het Koninkrijk is plan A. Als de kerk plan B is dan is zij middel en geen doel, dat is het Koninkrijk: Het “Goede leven” of “Koninkrijk van God”. En daarom geloof ik dat de kerk zich altijd zorgen moet maken; ze is vervangbaar. De oude reformatoren wisten dat al en spraken over “de gereformeerde kerk die altijd moet reformeren”.
De kerk is die rommelige, rottige en zalige samenleving van mensen die door God bij hun lurven gepakt zijn. Dat zijn mensen die leven in een bepaalde geschapen context, hun eigen wereldje, hun samenleving waarin ze “zout en licht” zijn. Volgens Johannes kwam Jezus en heeft hij onder ons gewoond; Hij was een jood uit de eerste eeuw. Hier zit de magie van God; Hij brak en breekt in op een bepaald moment in de geschiedenis en een bepaalde plaats op aarde; een bepaalde context. Maar ja, God blijft verrassen en daarom z’n schepping ook: “alles beweegt” zei een oude Griek lang geleden en zo blijft ook de context van de kerk bewegen. Als dit dan zo is dan moet de kerk wel opletten want haar Heer is nogal beweegelijk.
De grap is dat de opmerking “Natuurlijk blijven mensen naar de kerk gaan want Jezus is de Heer van de kerk” vaak functioneert als een geestelijke legitimatie om wereldvreemd te zijn; We hoeven ons niet teveel te laten gezeggen door onze context want het gaat om Jezus! Onzin! Het gaat om Jezus en Gods Koninkrijk in onze wereld. Onze context doet er wel degelijk toe, zij moet één van de bronnen zijn van ons leven als volgeling van Jezus.
Ik meen dat hier nog een tweede addertje in de boom hangt: “Jezus is Heer van de kerk” krijgt de lading van “Jezus vindt Mijn kerk goed en daarom gaat die nooit verloren”. Wat nadat iemand de mooie woorden heeft gesproken wordt het eigen kerkelijke stokpaarde weer eens afgestoft en afgerost: De ene Don Quichote breekt z’n lans op de “protestante pioniers plekken”, een andere zemelt over “nieuwe kerkvormen”, weer een ander zwijmelt weg bij “nieuwe monastiek” de laatste rent luidkeels gillend weg naar “betere aanbidding”.
En daarom heb ook ik soms geschokt de columns gelezen bij het avondmaal met cirkelzaag, verbijsterd zelfs. Ik las een bundel van vijftig kloeke stokpaarden. De dag zelf was best wel een verademing, her en der daverde wel een vrolijk stokpaard rond maar de meerderheid had ze thuis gelaten. Men wilde luisteren naar elkaar. Uiteindelijk werd voor sommigen daardoor die Koning weer zichtbaar en vroeg men zich af ” Hoe ziet dat er uit: Jezus op een ezel tijdens prinsjesdag.”










